COMPONISTEN

Bekende en onbekende componisten worden op deze pagina besproken. Meestal componisten die iets met de piano hebben. Het zijn korte impressies over het leven en werk van componisten, die ik schrijf bij concerten, voorspeeldagen e.d. Voorlopig zal het een eenvoudige lijst zijn in alfabetisch volgorde.

Ludwig van Beethoven (1770-1827) behoort tot de grootste componisten van de westerse muziek; het is welhaast een open deur intrappen om dat te zeggen. Dat betekent niet, dat composities van Beethoven altijd even toegankelijk zijn. Beethoven zelf worstelde ook met de materie : hij maakte vaak vele schetsen voordat hij een compositie opzette. Zo maakte hij voor de fuga, het laatste deel van de cellosonate opus 102 no. 2 , een aantal thema’s als voorstudie. Het stuk dateert uit 1815, aan het begin van zijn laatste periode, waarin zijn doofheid toenam en zijn muziek verinnerlijkte. Het gebruik van de fuga als vorm komen we ook in andere werken tegen bv de pianosonate’s opus 101, 106 en 109. Het lijkt, in zijn teruggrijpen op een vorm die bij Bach tot grote ontwikkeling kwam, een tegenhanger van zijn vernieuwingsdrang.
Men deelt het werk van Beethoven graag op in drie perioden. Uit de eerste periode, waarin Beethoven nog sterk onder invloed staat van Mozart en Haydn, stamt de tweede cellosonate, gecomponeerd in 1796. Maar al bij het beginakkoord hoort men Beethoven als persoonlijkheid aanwezig; we horen er eigenlijk al de pianosonate "Pathétique" in, die dateert van een aantal jaren later. In plaats van de afwisseling snel-langzaam-snel heeft deze sonate een andere opbouw : eerst een adagio, dat zonder onderbreking overgaat in een zeer energiek allegro. Als slotdeel een opgewekt rondo. De cellosonate in A-dur opus 69, opgedragen aan baron von Gleichenstein, werd geschreven in 1807 en vertegenwoordigt wat meestal gezien wordt als de midden-periode van Beethoven. (Kenners zullen misschien verwantschap met de Appassionata en het Tripelconcert horen). Hij heeft zich ontworsteld aan de puur klassieke schrijfwijze van zijn voorgangers en slaat nieuwe wegen in. De vorm wordt vrijer, waarbij hij steeds vaker uitersten in klank, dynamiek en tempo opzoekt. Het eerste deel is geschreven in de sonatevorm, waarbij een paar fermate’s de vorm ter discussie lijken te stellen. Het tweede deel, een scherzo, is vol energie en wordt gevolgd door een intiem adagio. Aansluitend aan het adagio volgt het slotdeel, een ongecompliceerd rondo, waarin de kreeftgang van het tweede thema uit het scherzo wordt gebruikt. Het heeft een prachtig Beethoveniaans slot.
De cellosonate opus 102 no. 2 opent met een kernachtig Allegro; dan volgt een verinnerlijkt Adagio in driedelige vorm, met afwisseling mineur/majeur/mineur. Aan het eind daarvan wordt de spanning over wat komen gaat tot het uiterste opgevoerd. De fuga vormt door zijn lichtvoetige karakter een ontspannen afstuiting van de sonate.

Johannes Brahms (1833-1897) mag een echte romanticus genoemd worden; hij bleef echter altijd trouw aan de klassieke vormen. Interessant is het om te horen h oezeer de twee cello-sonates verschillen. De eerste cello-sonate, opus 38, schreef hij in 1862 en de hier uitgevoerde sonate opus 99 in 1886. Een verschil van 24 jaar. Waar de eerste sonate nog een beetje conventioneel aandoet, is de sonate opus 99 een meesterwerk met prachtige vondsten in klank en ritme. Het eerste deel is geschreven in de sonatevorm met twee duidelijk verschillende thema’s. In het coda klinkt een echo van het tweede thema. Het tweede deel, het adagio, heeft een driedelige liedvorm. Het derde deel heeft het karakter van een scherzo met trio. In het slotdeel wisselen meer intieme melodisch gedeelten af met energieke motieven; daarbij is de ritmiek nauw aan elkaar verwant. In het coda komt het eerste thema nog één maal terug in ijle pizzicato-zetting, waarna dit slotdeel energiek afsluit met een vivace.

Johann Friedrich Franz Burgmüller werd geboren in 1806, Regensburg in Duitsland. Hij was de zoon van Johann August Franz Burgmüller (Duits organist en dirigent 1766-1824) en de oudere broer van Norbert Burgmüller (Duits componist en pianist 1810-1836). Friedrich studeerde bij Ludwig Spohr (1784-1859) en Moritz Hauptmann (1792-1868). Na een aantal jaren studie bij Spohr en Hauptmann, vestigde Friedrich zich in Parijs (tot zijn dood in in 1874), en hij nam de stijl van de Parijse muziek over. Friedrich Burgmüller schreef een groot aantal stukken salonmuziek voor piano en publiceerde diverse albums met piano-etudes, welke standaardwerken zijn geworden. Burgmüller's piano muziek is veelal bedoeld voor jeugdige uitvoerders, en zijn opus 68, 76, 97, 100, and 105 etudes worden nog steeds gebruikt in de piano-lespraktijk. Zijn etudes zijn doorgaans aantrekkelijke voordrachtsstukken, zoals ook “Die Jagd” uit de bundel : Melodische Etuden opus 100.
Bron : http://www.classicalmidi.gothere.uk.com/burgmuller.htm

Frédéric Chopin (1810-1849) , geboren in 1810 in Polen vestigde zich in 1831 in Parijs. Hij schreef bijna uitsluitend voor piano solo en piano met orkest, behoudens enkele tientallen liederen en een weinig kamermuziek, waaronder een cellosonate en een trio. De nocturnes schreef hij verspreid over zijn leven, tussen 1827 en 1846. De nocturne in cis-klein KK IVa Nr. 16 dateert van 1830 en werd pas na zijn dood, in 1875, gepubliceerd. Daardoor heeft deze nocturne geen opus-nummer en wordt ook vaak aangeduid met : opus-posthuum. Het is een vrij korte nocturne met een verrassend wals-achtig intermezzo. De wals is van korte duur en verliest snel zijn energie, waarna het beginthema terug keert.

John Field, Frédéric Chopin en de nocturne.
De meeste musici, muziekamateurs en muziekliefhebbers kennen Frédéric Chopin wel vanwege de vele pianocomposities die hij heeft geschreven, waaronder 21 nocturnes. De naam “nocturne” suggereert een avondlijke, beschouwelijk sfeer. Het idee was in de tijd van Chopin niet nieuw; zo schreef Mozart een Serenata Notturna. Als genre voor de piano had Chopin een voorganger en dat was de Ierse componist John Field. De nocturne als pianostuk is in feite uitgevonden door John Field; je kunt beter zo formuleren : bij John Field onstaat het “pianostuk” als genre. Voor die tijd bestond het in die vorm niet; wel kende men etudes, sonates, sonatines en allerlei dansen, variaties, rondo’s etc. Het waren genres die gebonden waren aan een bepaalde vorm en soms een specifiek doel, bijvoorbeeld : oefenen of als dansmuziek dienst doen. De nocturne is hier vrij van en schept in de eerste plaats een sfeer en doet een direct beroep op de bereidheid van de luisteraar om een gevoel te delen; een gevoel dat vaak melancholiek of somber gestemd is. In Field’s nocturnes zoekt de melodie in de rechterhand naar maximale expressie, terwijl de linkerhand zich beperkt tot begeleidingsfiguren. Het is een schrijfwijze die Chopin 20 jaar later in hoge mate zal overnemen. Ook andere componisten, zoals Liszt en Mendelssohn, werden sterk beïnvloed door Field’s Nocturnes. Het romantische idee, dat muziek begint waren woorden tekort schieten, begint hier. Mendelssohn gaat op deze weg voort als hij, eveneens een twintigtal jaren later, pianostukken schrijft onder de titel “Lieder ohne Worte”
Chopin heeft Field waarschijnlijk nooit ontmoet. Zeker heeft hij al vroeg Field’s muziek gekend en is er ongetwijfeld door beïnvloed. Over Field als pianist was Chopin aanvankelijk lovend. Later daalde zijn waardering voor Field als pianist. Over de nocturnes van Chopin is iedereen het eens : ze staan op een hoger plan dan die van Field, door een origineler en minder voorspelbaar gebruik van het in opzet simpele materiaal. Zo gaat Chopin gevarieerder om met de linkerhand-begeleiding en verstopt er soms tegenstemmen in.
Voor meer informatie : http://www.carolinaclassical.com/articles/field.html

Claude Debussy (1862-1918) geldt als één van de grote vernieuwers van de muziek op de drempel van de 19-e naar 20-ste eeuw. Al in 1873, op elfjarige leeftijd, mocht hij lessen volgen aan het conservatorium van Parijs. In tegenstelling tot Ravel won hij wel de "Prix de Rome". Het verblijf in Rome beschouwde hij zelf echter als een kwelling en hij maakte de twee jaar dan ook niet vol. Debussy heeft veel invloed gehad op volgende generaties componisten in de twintigste eeuw. Veel vernieuwingen zijn terug te vinden in zijn préludes voor piano. Hij schreef twee boeken, elk met 12 préludes. De de préludes “La fille au cheveux de lin” en “Bruyères” geven een mooi voorbeeld van het gebruik van pentatoniek : een toonladder (of –reeks) van 5 tonen, zoals die op de zwarte toetsen van de piano te vinden zijn. In La fille au cheveux de lin komen een paar stijgende pentatonische toonreeksen voor, bv vlak voor de slotakkoorden : de reeks ces-des-es-ges-as. In Bruyères wordt direct al een melodie gevormd uit de tonen : es-f-g-bes-c.
Het solo-fluitstuk Syrinx, geschreven in 1913, is geïnspireerd op de figuur Syrinx uit de Griekse mythologie. Syrinx werd achtervolgd door de god Pan en kon aan de oever van een rivier nog net op tijd in riet veranderen. Er bleef Pan niets anders over dan van het riet een panfluit van te maken, welke door de Grieken "Syrinx" werd genoemd.

Antonin Dvorak (1841-1904) Geboren te Nelahozeves (CZ). Overleden te Praag (CZ). Tsjechisch componist.De vader van Dvorák was slager-herbergier in Nelahozeves, een onooglijk dorpje in Tsjechië. Als oudste zoon geboren op 8 september 1841, was Antonin ook voorbestemd voor de slagersstiel. Maar de vioollessen die hij van de dorpsonderwijzer gekregen had, vielen zo goed mee dat hij 1857 als muziekstudent naar Praag trekt. Hij houdt er zich in leven door in allerlei orkestjes van verschillend allooi te spelen. In 1862 is hij altist in het Nationaal Theater. Hij huwt de goudsmidsdochter Anna Cerkowa in 1873.
Door zijn eerste successen als componist, en de vriendschap en bescherming van Brahms en Tschaikovsky, wordt hij compositieleraar aan het Conservatorium te Praag, organist aan de Sint-Adalbertuskerk en ontvangt een Oostenrijkse staatsbeurs (in de jury zetelden o.a. Brahms en Hanslick!). Dan kwam, bijna automatisch, de belangstelling uit het buitenland: beroemde orkesten nodigden hem uit om eigen werk te komen dirigeren. Hij wordt doctor honoris causa aan de universiteiten van Cambridge en Praag, en hij wordt aangezocht als leider van de pasgestichte "National Conservatory of Art" te New York. Voor die laatste betrekking worden hem vorstelijke bedragen aangeboden, en na lang aarzelen beslist hij samen met zijn familie toch maar de grote stap te zetten. Zijn eigenaardige maniakale interesse voor locomotieven (hij noteerde in het station van Praag alle types met nummer en uurrooster!) werd vervangen door die voor stoomschepen in de Newyorkse haven; de duiven in de bossen uit Tsjechië door die van het enorme Central Park. Verder werd zijn heimwee verdreven in het door Tsjechische kolonisten gebouwde dorpje Spilville in de staat Iowa.
In 1894 loopt zijn contract in Amerika ten einde, en hij keert terug naar Bohemen. In 1901 wordt hij artistiek directeur van het Praags Conservatorium. Nog enkele jaren kan hij hard werken, alvorens te sterven op 1 mei 1904.
De eerste composities van Dvorák waren dansen en marsen. Tijdens zijn carrière als altist in het theater ontstond de opera "Alfred". Kort daarop gaat hij de patriottische toer op.
De eerste werken waarmee hij echt beroemd werd, waren zijn "Moravische dansen", de "Slavische duetten" en het beroemde "Stabat Mater". Verspreid over zijn hele leven, liggen de negen symfonieën die in grote lijnen wel de klassieke vormgeving meekrijgen, maar daarnaast overduidelijk de sfeer uitademen waarin ze gecomponeerd werden. Het duidelijkste en bestgekende voorbeeld daarvan is de negende "Symfonie uit de Nieuwe Wereld", met de beroemde althobo-solo in de langzame tweede beweging. In plaats van Boheemse volksmuziek wordt hier negermuziek verwerkt.
Verder zijn overbekend zijn enig mooi celloconcerto, een concerto voor viool, en een voor piano. Ook in zijn kwartetten wordt de klassieke vormgeving verbonden met plaatselijke folklore-invloeden.
Met dank aan http://www.tova.nl/Componisten/Biografien/dvorak.htm

De Silhouetten voor piano vierhandig
De basis voor de Silhouetten ligt in 1865 in de liederencyclus Cypressen en in de eerste twee symfonieën. Dvorák schreef de liederencyclus Cypressen mogelijk als een uiting van zijn onbeantwoorde liefde voor de actrice Josefina Cermakova. Dvorák trouwde in 1873 met haar zus Anna.
De Silhouetten waren klaar in 1879. De Silhouetten zijn een mix van intieme en gepassioneerde stukken. In de verschillende delen ontwikkelt Dvorák verschillende thema’s en hij gebruikt ze opnieuw. Het hoofdthema van de eerste silhouet komt terug in het twaalfde en laatste deel; zij maken de cirkel rond, voor de componist een weerspiegeling van een belangrijke fase in zijn leven: liefdevolle herinneringen die niets aan expressiviteit en bekoring hebben verloren.
De silhouetten zijn geschreven voor piano solo en door Th. Kirchner tot 4-mains bewerkt, waarover Dvorák schrijft: ‘… ze zijn mooi gearrangeerd, zijn goed speelbaar en klinken heel mooi.’ De componist heeft mogelijk het relatief lage opusnummer 8 gebruikt om zijn uitgever , die het recht had alle nieuwe werken te publiceren, tevreden te houden.
Ook de Silhouetten zijn typisch van Dvorák, zoals hij zelf schrijft: ‘hoewel ik genoeg in de grote wereld van de muziek heb rondgekeken, blijf ik toch wat ik ben – een eenvoudige Tsjechische muzikant’

Manual de Falla (1876-1946) werd in 1876 geboren in Cadiz. Hij volgde lessen bij zijn moeder en enkele lokale musici. Hij studeerde een aantal jaren in Madrid; drie jaar volgde hij compositielessen bij Felipe Pedrell . Pedrell was van mening dat de muziek van een land gebaseerd moest zijn op de volksmuziek. De Falla won prijzen voor piano en compositie en vestigde zich in 1907 in Parijs, waar hij bevriend raakte en beïnvloed werd door Paul Dukas, Maurice Ravel en Claude Debussy . In 1939 vestigde hij zich in Argentinië, waar hij stierf in 1946. De Falla schreef opera’s en balletten, waarvan in 1919 de “El Sombrero de Tres Picos” door Diaghilev in Londen werd geproduceerd; voorts pianowerken, kamermuziek, orkestwerken en vocale muziek. Dat de Falla , evenals zijn leermeester iets met volksmuziek had, blijkt onder andere uit de Siete Canciones Populares Espagnolas, een serie van 7 populaire Spaanse volksliederen, geschreven in 1914. Zelf bewerkte hij dit tot een suite voor piano. Later bewerkte Paul Kochanski deze bundel tot een suite voor viool en piano, waarna Maurice Maréchal de vioolpartij omwerkte tot een cellopartij. Via deze ingewikkelde weg kwam deze serie stukken op de lessenaars van cello-piano duo’s terecht. De Spaanse stijl zal al snel herkend worden, waarbij de pianopartij soms aan een gitaar en soms aan een orkest doet denken.

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1807-1847)schreef verspreid over de periode 1829 tot 1845 een reeks van pianostukjes die hij de titel “Lied ohne Worte” mee gaf. Enkele, zoals het “Spinnerlied”en het “Frühlingslied” werden wereldberoemd. Nummer 18 is een prachtig stuk met de ondertitel “Duetto”; een sopraan- en tenor-stem wisselen elkaar af in een duet. Nadat ze eerst in een steeds heftiger dialoog komen, zingen ze tegen het eind van het stuk gezamenlijk dezelfde melodie; daarna keert de rust terug.

Federico Mompou (1893-1987) was een buitenbeentje in het Europese muziekleven van de 20-ste eeuw. Hij ontwikkelde, los van alle stromingen, zijn eigen pianostijl. Geboren in Barcelona op 16 april 1893; zijn moeder was Frans en zijn vader Catalaans. In zijn geboorteplaats studeerde hij aan het Liceo Conservatorium en in 1911 vertrok hij naar Parijs, waar hij studeerde bij Isidore Philipp en Ferdinand Motte-Lacroix. Van 1914 tot 1921 verbleef hij, vanwege de eerste wereldoorlog uit Frankrijk weggetrokken, weer in Barcelona. Uit die tijd dateren zijn eerste composities. Van 1921 tot 1941 woonde hij weer in Parijs, om in 1941 voorgoed terug te keren naar Barcelona. Hij overleed in 1987. De Cancións y Danzas , 14 in totaal, schreef hij tussen 1921 en 1979. Op een enkele uitzondering na (no 5 en 6), gebruikt hij hiervoor Catalaanse volksmelodieën. Zo vinden we bij no. 7 “Muntanyes regalades” als melodie van het lied en “L’heure Riera” voor de dans. Bij no. 8 respectievelijk “El testament d’Amèlia”en “Un pobre pagès”.

Bohuslav Martinu (1890-1959), Tsjech van geboorte, was één van de componisten die de eerste helft van de 20-ste eeuw muzikaal aanzien gaven. In eerste instantie werd hij beïnvloed door representanten van de nationale school : Smetana en Dvorak. Later, in Parijs, werd hij vooral beïnvloed door Albert Roussel en Igor Strawinski. Zijn muziek bevat veel polyritmiek. Zo ook in deze Sept Arabeques, waarbij de pianist maar moet zien, dat hij de cellist blijft volgen en omgekeerd. Het is muzikanteske muziek, helder en vitaal.

Astor Piazolla (1921-1992) werd in 1921 geboren in Mar de Plata in Argentinië. Van 1924 tot 1937 woonde hij in New York, waar hij pianolessen kreeg van Bela Wilda, een leerling van Rachmaninov. Wilda bewerkte muziek van Bach voor de Bandoneon, een instrument dat de negenjarige Astor van zijn vader cadeau kreeg op zijn verjaardag. In 1937 keerde hij terug naar Argentinië en nam daar o.a. compositielessen bij Ginastera in 1940. In die tijd speelde hij samen met de door hem zeer bewonderde bandoneonist Anibal 'Pichuco' Troilo in een orkest. In 1946 vormde Piazolla zijn eigen orkest Orquesta Tipica, in die tijd nog steeds traditioneel georiënteerd. Begin jaren 50 studeerde hij compositie bij Nadia Boulanger in Parijs. Zij adviseerde hem om bij zijn compositie vooral vanuit de tango te blijven denken en die te verrijken met nieuwe impulsen. In Parijs onderging hij ook invloed van Jazz-musici zoals de bariton saxofonist Gerry Mulligan en de vibrafonist Gary Burton. De Tango-stijl die door al deze invloeden ontstond in de jaren 50, noemde hij Nuevo Tango , een Tango, niet om op te dansen of om te zingen, maar om naar te luisteren. Zijn meest succesvolle ensemble, Quarteto Nuevo Tango, richtte hij op in 1960. De "Grand Tango " (1982) droeg hij op aan niemand minder dan de Russische cellist Mstislav Rostropovitch.

Maurice Ravel (1875-1937) werd geboren op 7 maart 1875 in Ciboure in Frans Baskenland. Zijn moeder was van Baskische afkomst en zijn vader was een ingenieur uit Franstalig Zwitserland. Nog voor hij één jaar oud was verhuisde de familie naar Parijs, waar zijn broer Edouard werd geboren. Maurice studeerde aan het Parijse conservatorium, waar hij compositielessen volgde bij Gabriel Fauré. Tevergeefs dong hij enkele malen mee naar de "Prix de Rome", een prestigieuze prijs die artiesten in staat stelde twee jaar in Rome te werken en te studeren. Dat was geen beletsel om uit te groeien tot één van de toonaangevende componisten uit de eerste decennia van de twintigste eeuw. De laatste jaren van zijn leven kon hij niet meer werken door een hersenaandoening. Hij overleed op 28 december 1937 na een mislukte hersenoperatie. Ravel liet in vele genres muziek na, vaak maar één stuk per genre. Hij werkte langdurig en minutieus aan zijn composities en probeerde zijn samenklanken, die van grote harmonisch gevoeligheid blijk geven, uit op de piano. Hij schreef een aantal liederencycli, waarvonder de Histoires Naturelles uit 1907 en de Chansons Madécasses uit 1926. Beide cycli werden voor de eerste maal vertolkt door de sopraan Jane Bathori; aan de premiere van de Chansons Madécasses in 1926 werkte ook de later beroemd geworden cellist Pierre Fournier mee.

Giovanni-Battista Sammartini (1701-1775) werd geboren in 1701 in Milaan en was componist, dirigent en organist. Vermoedelijk heeft hij zo’n 2000 werken, in allerlei genres, geschreven. Hij was enige tijd leraar van Gluck en beïnvloedde de kunst van de jonge Haydn. Hij wordt gezien als een pionier op het gebied van de sonate en de klassieke symfonie. Sammartini overleed in 1775 in Milaan. Het gespeelde werk is gepubliceerd in 1740 als : Sonata da Camera à Violoncello Solo con Basso Continuo . De basso continuo-partij is door Alfred Muffat bewerkt tot pianopartij.

Erik Satie (1866-1925) werd geboren in Honfleur (Calvados, Frankrijk) op 17 mei 1866. Zijn vader, Jules Alfred Satie, werkte aanvankelijk als scheepsmakelaar. Daar hij vloeiend Duits, Portugees, Spaans, Italiaans, Nederlands, Deens, Latijn en Grieks sprak, vond hij later in Parijs werk als vertaler. In zijn vrije tijd gaf Satie Senior piano- en zanglessen. Ook verzorgde hij de uitgave van composities uit van zijn vrouw, van zijn zoon Erik en van zijn vriend Eric-Charles Levadé.
Erik's moeder, de eerste echtgenote van Jules Alfred, was gedoopt in de Church of Scotland in Londen onder de naam Jane Leslie Anton. Zij stond erop dat haar vier kinderen anglicaans gedoopt werden. Omdat daardoor de verhouding van haar schoonmoeder er niet beter op werd, verhuisden de Saties naar Parijs. Toen Erik nog maar zes jaar was, stierven in enkele weken tijd zijn moeder en zijn zus. Erik en Conrad werden bij de ouders van Alfred ondergebracht, en werden op 4 december 1872 katholiek gedoopt. Erik ging op kostschool in het College van Honfleur. Bij de dood van zijn grootmoeder ging hij naar Parijs bij zijn vader wonen, die op 21 januari 1879 trouwde met de muzieklerares Eugénie Barnetche.
Vanaf 1876 kreeg Erik muzieklessen van de organist van de Saint-Léonardkerk in Honfleur, een zekere Monsieur Vinot, die was afgestudeerd aan de Ecole Niedermeyer, een hogeschool voor kerkmuziek, waar het in ere herstellen van de gregoriaanse zang hoog in het vaandel stond.
Daarna studeerde Erik Satie een tijdje aan het Conservatoire National de Musique et de Déclamation in Parijs (o.a. bij Guilmant, Mathias en Tadou), maar hij had zo'n weerzin van de schoolse opleiding dat hij het conservatorium verliet, zonder enig diploma en verkoos als pianist te werken in verschillende cabarets op Montmartre.
Satie had veel invloed op andere Franse componisten, zoals Debussy en Ravel. Vaak meer door zijn beschouwingen over muziekesthetiek dan door zijn composities. Zo gauw hij echter vaststelde dat zijn volgelingen zich comfortabel hadden geïnstalleerd in de artistieke kringen van Parijs, distantieerde hij zich van hen, en brak volkomen met de "arrivisten". Zo keerde hij zich later tegen het “zwoele impressionisme” van Ravel en Debussy. Ook tegen Strawinsky keerde hij zich, met name tegen het Slavisme, dat hij in diens werk meende te zien. (Strawinsky zelf was echter met geen enkel etiket te benoemen ; hij ontwikkelde zich via verschillende perioden, waarvan die Slavische er maar één was).
Vanaf omstreeks 1900 zette hij zich af tegen de mode van het impressionisme met parodiërende stukken als "Airs a faire fuir", "Morceaux en Forme de Poire" (als reactie op een opmerking van Debussy als zou zijn muziek geen vorm hebben; de keuze van een peer zou een toespeling kunnen zijn op het feit dat in het Parijse jargon 'poire' een synoniem is voor imbeciel), "Embryons déséchés", "Trois Véritables Préludes Flasques".
Het grootse deel van zijn leven leed hij armoede. Het schijnt, dat hij lange tijd op een klein kamertje woonde, met als enige bezit een oude piano en een parplu. Satie, die al enige tijd aan levercirrose leed, ontwikkelde een dubbele longontsteking en werd op 15 februari 1925, begeleid door zijn vriend Darius Milhaud, opgenomen in het ziekenhuis Saint-Joseph, waar hij op 1 juli in grote armoede overleed. Hij kreeg een kerkelijke begrafenis in Arceuil.
Een anecdote: Eén van zijn werken, "Vexations", wordt zelfs vermeld in het muziekdeel van het 'Guiness Book of Records', als zijnde het langste instumentale solowerk. Het bestaat uit een thema van 52 maten, met een aanduiding 'très lent', dat 84O maal herhaald moet worden en met zo weinig mogelijk variatie. De eerste uitvoering, georganiseerd door John Cage in het Pocket theatre in New York in I963, duurde 18 uur en 12 minuten, waarbij pianisten elkaar aflosten. De tweede uitvoering vond in Berlijn plaats in augustus 1966 met 6 pianisten. Bij haar tweede toerbeurt verscheen de pianiste Charlotte Moorman half naakt op het podium, om de monotonie wat te breken. Haar beweegredenen waren van musicologische en financiële aard. Satie hield veel van vrouwelijk naakt en John Cage had er 100 dollar op verwed dat ze het niet zou durven. De uitvoering duurde 18 uur en 4O minuten. De eerste solo-uitvoering van "Vexations" vond plaats in de Arts Laboratory, Drury Lane, Londen op 1O en 11 oktober 1967 door Richard Toop. Deze hield zich op de been met komkommersandwiches en hield het 24 uur vol. In 1969 werd een uitvoering in Australië na 17 uur afgebroken. De pianist moest in coma naar het ziekenhuis worden afgevoerd.
Met dank aan de website : http://www.componisten.net/

Franz Schubert (1797-1828) heeft lang in de schaduw gestaan van Beethoven. Van de pianosonates van Schubert vond men tot in de eerste helft van de 20-ste eeuw, dat ze te langdradig en te zwak van vorm waren. Standaard voor het denken over pianosonates was het werk van Beethoven : een granieten monument voor de Duitse compositiekunst. Maar, zoals Otto Glastra van Loon het eens formuleerde : Een reus (Beethoven) kan bergen verzetten, maar een dwerg (Schubert) kan toveren! Pianisten als Lily Kraus, Alfred Brendel en Sviatoslav Richter hielden overtuigende pleidooien voor de sonates van Schubert. De kleinere werken van Schubert zijn altijd wel populairder geweest. Hij publiceerde enkele groepen van kleine pianowerken onder de titels “Impromptus”en “Moments Musicaux”. In 1827 verscheen een set van vier impromptus als Opus 90. Later catalogiseerde de musicoloog Otto Erich Deutsch alle werken van Franz Schubert. Genoemde Impromptus kregen het nummer : D899.

Robert Schumann (1810-1856) schreef vooral veel in zijn jonge jaren. Wat hij op latere leeftijd schreef wordt, bij iets mindere kwaliteit, al gauw beneden de maat genoemd en gezien als uiting van een niet meer geheel gezonde geest (Schumann stierf in een psychiatrische inrichting in Endenich). Deze kwalificatie geldt zeker niet voor de "Stücke im Volkston ", daterend uit 1849, het laatste jaar waarin Schumann veel componeerde. In datzelfde jaar brak in zijn woonplaats Dresden de revolutie uit, waarbij de familie uit het woonhuis moest vluchten; Robert Schumann sympathiseerde weliswaar met de revolutionairen, maar zag er toch van af om zich te laten inlijven bij de revolutionaire militie. Zijn componeerdrift werd er niet door geschaad; sterker, het lijkt wel of deze omstandigheden stimulerend op hem werkten, misschien wel om de hectische buitenwereld te ontvluchten. Is deze muziek zwakker dan zijn vroegere werken? Nee, of liever : oordeel zelf. Je zou misschien kunnen zeggen, dat de bijna ongebreidelde fantasie van de jonge Schumann in wat rustiger vaarwater is gekomen.

Igor Stravinsky geldt als één van de belangrijkste componisten van de 20-ste eeuw. Niet alleen wendde hij zich af van de 19-de eeuw, maar bovendien greep hij ook terug op eeuwen daarvoor. Het begin van zijn carrière verliep stormachtig met o.a. het beroemde schandaal rond de eerste uitvoering van de "Sacre du Printemps". Niemand was in 1913 voorbereid op zulke aardse, ruige en primitieve muziek. In 1920 bestudeerde Stravinsky op verzoek van Diaghilev muziek van Pergolesi, een 18-de eeuwse Italiaanse componist. De bedoeling van Diaghilev was, dat Stravinsky de muziek van Pergolesi in een eigentijdse orkestratie zou omschrijven voor gebruik in een ballet. Het resultaat schokte Diaghilev enigszins : Stravinsky ging wel uit van (soms onvoltooide) muziekstukken van Pergolesi, maar knipte en plakte er lustig op los. Stravinsky zag "de geschokte 18-de eeuw" op het gezicht van Diaghilev toen deze het resultaat hoorde, namelijk : Pulcinella voor sopraan, bas, tenor en kamerorkest. Van de 18 delen bewerkte hij er 6 tot de "Suite Italienne " voor Violoncello en Piano, in samenwerking met de cellist Gregor Piatigorsky. Aan het begin van het eerste deel waant men zich in de 18-de eeuw, maar allengs voegen zich 20-ste eeuwse elementen in het geheel : eigenwijze dissonanten, syncopische accenten, maatwisselingen en een soort collage-techniek; kortom : ontegenzeggelijk Stravinsky. Men kan zich afvragen, waarom een 20-ste-eeuws componist zich zo nadrukkelijk met 18-eeuwse stijl bezig houdt. Deels is dit te verklaren als een reactie op de 19-de-eeuwse romantiek, maar misschien ook uit de opvattingen van Stavinsky over vrijheid : […. ]Kunst is vrijer naarmate zij meer gecontroleerd, meer beperkt en meer doorwrocht is [….] Mijn vrijheid bestaat uit het enge kader dat ik voor elk van mijn projecten heb afgebakend. En zijn antwoord op mensen, die hem gebrek aan respect voor Pergolesi verweten, was : "Gij respecteert, maar ik bemin!"

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) schreef zijn Rococovariaties als een soort hommage aan Mozart. Oorspronkelijk als werk voor cello en piano gedacht, werd het wereldberoemd in de versie voor cello en orkest. Hij schreef het in 1876/77 en de eerste uitvoering werd gegeven op 18 november 1877 door V.F. Fitzenhagen te Moskou. Het werk bestaat uit een inleiding, thema en 7 variaties. Doordat hij het thema ritmisch en in tempo sterk varieert, roept hij zeer verschillende stemmingen op.